Over Ons
Waarom we van Majutte houden
Ontdek het Huisje van Majutte – het oudste vissershuisje van Blankenberge
Het Huisje van Majutte, gelegen in de Breydelstraat 10 in Blankenberge, is het oudst bewaarde en geklasseerde vissershuisje aan de Belgische kust. Een bezoek aan dit unieke erfgoed is een ware sprong terug in de tijd, naar het authentieke vissersleven van weleer.
Een huis met eeuwen geschiedenis
Al in 1272, toen Blankenberge zijn stadsrechten kreeg, stond er op deze plek een visserswoning. Doorheen de eeuwen is het huisje meermaals verbouwd, hersteld en uitgebreid. Ondanks stormen, oorlogen en bezettingen – van de Spaanse tijd tot aan de Franse en Nederlandse bezettingen – bleef het huisje overeind.
De huidige structuur dateert van circa 1775. Tot aan het begin van de 20e eeuw was de Breydelstraat en haar omgeving – waaronder de verdwenen Garre van Konee (1885) en het binnenerf Muntplaats (verdwenen in 1965) – een echte visserswijk.
Authentiek vissersleven aan de Belgische kust
Toen het huisje gebouwd werd, lagen er nog geen dijk, haven of appartementsgebouwen. De platbodemschuiten legden rechtstreeks aan op het strand, aan de voet van de duinen. In deze buurt stonden ooit 66 visserswoningen en twee typische kroegjes.
In het Huisje van Majutte krijg je een ongefilterde kijk op het leven van een vissersgezin in de 18e en 19e eeuw. In dit kleine huisje leefden gezinnen met soms tot wel 12 kinderen. Alles ademt hier authentieke vissersgeschiedenis.
De familie Majutte – een naam met een verhaal
Het huisje werd generaties lang bewoond door de familie Debruyne, in de volksmond ook wel de Majuttes genoemd. Zoals gebruikelijk bij vissersfamilies kreeg elke familie een bijnaam – een traditie bedoeld om de boosaardige zeegeest Roesschaert te misleiden.
De laatste visser die er woonde was Pé Majutte, de naamgever van het huisje. Zijn nalatenschap leeft verder in dit prachtige stukje erfgoed, waar je vandaag nog steeds de sfeer van vroeger kunt proeven.
Emile Verhaeren
22 Juli 1882
“Een wonderbaarlijk huisje met zo mogelijk nog wittere muren, nog groenere vensterluiken, en nog fellere dakpannen dan de bouwseltjes er rond.
Ach, zo’n huisje moest men boetseren, het onder een stolp zetten, en het opsturen naar tentoonstellingen onder uitdrukkelijk verbod er een schouwgarnituur van te maken.
Het dak glimt als een schoudermanteltje van een kardinaal.
En de deur? Zo laag dat een kat zich moest bukken om binnen te geraken.
De vensters hangen in kadertjes van geglazuurde tegels, met primitieve taferelen van dolfijnen die water spuiten, purperen molentjes met draaiende wieken, dobberende schepen met roze Klein Duimpjes erin, en verder de hele gewijde geschiedenis met Petrus die op het water wil lopen, Jezus die de Samaritaanse vrouw ontmoet, en de vlucht naar Egypte onder het aureool van een paarse parasol.
Het huisje heeft zowaar een authentieke topgevel, een mutsje van steen dat het al meer dan 200 jaar draagt, hoog en fier, ondanks de razernij van de winden.
En ik zweer U dat het niet overhelt op zijn oor, want dat huisje is eerlijk: het krioelt er van de kleine kinderen, men verdient er zijn brood.
Men sjouwt er, men zwoegt er, en die ouwe bonk daar, die ouwe zeewolf op de dorpel, die gelooide, gedroogde, gebakken en herbakken oude man, met zijn geweldige vuisten, en zijn Herculesschouders, knokt en vecht nog elke dag van zijn hondenleven tegen de storm en tegen de zee…”
Men moet zich bukken om door de lage deur binnen te kunnen. In de balken is scheepswerk te zien. Een boograam gaf vroeger uitzicht op de duinen. In de voorplaats is er een schouw met Delftse tegels. De vloer is bedekt met kleine, rode, bakstenen tegels. In de keuken treft men een brede open haard met opnieuw een grote schouw en een pekelput, afgesloten met een houten deksel. In de balken boven de keuken is een plank van een Blankenbergse boot verwerkt, die waarschijnlijk is aangespoeld. Onder het dak van Boomse pannen is er een houten gebinte en een grote zolder.